Gepost door: universiteitsbibliotheekleiden | september 23, 2008

Week van de Geschiedenis: Verhalen van het Leidse studentenleven

Verhalen van Nederland, dat is het thema van de Week van de Geschiedenis van 11 t/m 19 oktober 2008. De Universiteitsbibliotheek Leiden organiseert een aantal activiteiten rond dit thema, maar dan toegespitst op het Leidse (studenten)leven. U vindt het programma op de tab ‘activiteiten’.

 

Op deze pagina vindt u tijdens de Week van de Geschiedenis dagelijks citaten van bekende schrijvers over het Leidse studentenleven, verzameld door onze vakreferenten Geschiedenis en Nederlands.

 

Advertenties
Gepost door: universiteitsbibliotheekleiden | oktober 19, 2008

Constantijn Huygens, Mijn leven

In mei 1616 stuurde vader Huygens zijn zoons Maurits en Constantijn naar de Leidse universiteit, waar zij zich zouden bekwamen in de rechten. Zij kregen daar een stoomcursus: na wat ze al geleerd hadden van hun vader en van privé-onderwijzers, hoefden zij niet het volledige studieprogramma van vier à vijf jaar af te werken.

In  “Mijn leven, verteld aan mijn kinderen”, een Latijns gedicht dat Huygens schreef als hoogbejaarde, kijkt hij met zeer positieve gevoelens terug op zijn studieperiode. In dit gedicht houdt hij zijn nazaten zijn levenswandel voor als lichtend voorbeeld. Hij schetst zichzelf als de ideale student.

Constantijn Huygens, 20 jaar oud, studeerde af op 15 juli 1617, na een studie van ruim een jaar. Een universitaire studie werd in die tijd afgerond met een disputatie. De student verdedigde een aantal stellingen over een bepaald onderwerp, en werd daarop aangevallen door opponenten: andere studenten. Zo’n disputatie stond onder voorzitterschap van de hoogleraar. Alles ging in het Latijn, de voertaal aan de universiteit.

 

“Bij het aanbreken van de grote dag betrad ik de arena in een uitpuilend academiegebouw, waar mijn vader, de senaat en een omvangrijke schare van toehoorders en opponenten waren toegestroomd. Welke waardering mijn verdediging heeft geoogst, is bij afwezigheid van getuigen niet aan mij om te vertellen. […] Ik zegevierde en heb in een sierlijke rede mijn studievrienden, de stad, haar burgers en de geleerden die voor mij klaar hadden gestaan, met bezwaard gemoed vaarwel gezegd en ieder alle goeds toegewenst. Na afloop van het feestmaal dat dit welhaast heilige ritueel vereist, verliet ik wat ik altijd mijn dierbare Leiden zou blijven noemen, en keerde met mijn vader terug naar het ouderlijk huis waar moeder me weer met open armen ontving.  Kort daarna nam ik een kijkje bij de rumoerige gang van zaken in de rechtbank. De te Leiden ingedronken kennis van wetten en recht leerde ik vanuit het schimmenspel waarin ik tot dan toe geoefend was, als trouwe toehoorder toe te passen in werkelijke geschillen rond serieuze zaken, en niet langer waren schijnduels mijn deel.“                                                                           

 

C. Huygens, Mijn leven, verteld aan mijn kinderen, in twee boeken. Ingeleid, bezorgd en van commentaar voorzien door F.R.E. Blom. Dl. I: Inleiding, teksteditie en vertaling. Dl. II: Commentaar en annotatie. Amsterdam 2003. (Dissertatie Leiden).  Deel 1, pag. 85.

 

 

 [De informatie voor de begeleidende teksten komt uit  LiteRom (interviews en recensies Nederlandstalige literatuur vanaf 1900) en de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)].

Gepost door: universiteitsbibliotheekleiden | oktober 18, 2008

Dagboek fragmenten 1940-1945

Op 8 mei 1945, drie dagen na de bevrijding, werd het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie opgericht. De taken werden in het oprichtingsbesluit kort samengevat: het verzamelen en bewerken van materiaal over de geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog en het publiceren over die periode.

Het instituut heeft ook altijd veel materiaal van particulieren verzameld, zoals oorlogsdagboeken.

Zo kon, na jarenlang grondig doorpluizen van tienduizenden dagboekpagina’s, in 1954 een boek verschijnen met een volkomen andere inhoud dan alle andere die door het instituut waren of nog zouden worden gepubliceerd. Dagboekfragmenten 1940-1945 bestaat uit 224 korte en langere gedeelten uit de dagboeken van meer dan 100 schrijvers. De oudste auteur van het boek is 73, de jongste 14 jaar. Van allen worden het beroep, de leeftijd en de woonplaats vermeld.

“Student, 18 jaar – Omgeving Leiden

26 November 1940, Dinsdag

– Vandaag een gedenkwaardige dag. Vrijdag of Zaterdag zijn alle Joden uit de openbare ambten ontslagen. Ook enkele professoren vielen hier onder: David, Meyers, en nog een of twee.

Zaterdag en Zondag was ik echt half kapot ervan, en diep in de put. Vanmorgen heeft prof. Cleveringa in een vlammende redevoering prof. Meyers herdacht, en daarna is besloten, een week geen college te lopen. Het was werkelijk iets overweldigends. Bij Cleveringa ben ik tot mijn grote spijt niet geweest, iets wat ik eeuwig-jammer vind. Maar daarna die sterke en eerlijke eensgezindheid! Het was werkelijk fijn.

Misschien zullen we later denken – en ik weet, dat verscheidene mensen het nu al denken – dat dit onverstandig en ondoordacht is. Maar we moeten nu wat doen, we moeten laten zien, dat we van dergelijke smerigheden niet gediend zijn. Het muisje kan een bedenkelijk staartje krijgen, maar toch is het goed zo. Voor Cleveringa heb ik werkelijk grote bewondering, het is een flinke kerel”.

Dagboek fragmenten 1940-1945 / [gesel. door T.M. Sjenitzer-van Leening]

‘s-Gravenhage, Nijhoff, 1954. Pag. 56.

[De informatie voor de begeleidende teksten komt uit LiteRom (interviews en recensies Nederlandstalige literatuur vanaf 1900) en de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)].

Gepost door: universiteitsbibliotheekleiden | oktober 17, 2008

Naar de voltooiing; uit het leven van Albert Verwey

Maurits Uyldert schreef tussen 1948 en 1959 een driedelige biografie van Albert Verwey, die behalve dichter, ook hoogleraar Nederlandse letterkunde in Leiden is geweest. Omdat hij Verwey zelf tussen 1900 en 1937 heeft gekend, heeft hij gebruik kunnen maken van herinneringen aan de met Verwey gevoerde gesprekken en van de talrijke brieven die hij van hem heeft ontvangen.

“Toen de kerstvakantie 1925-’26 geëindigd was, reisde Verwey weer geregeld tussen Noordwijk en Leiden heen en weer. “In mijn pels trotseer ik een onverwarmde tram.” – schreef hij mij 16 januari ’26-. “Het spreken vermoeit me niet, en de omgang met jonge mensen die ieder een verschillende laag van de hedendaagse samenleving vertegenwoordigen, geeft me de grootste voldoening. Zij zijn onbevangen, krijgen vrijmoedigheid om zich uittespreken en brengen op het practicum dat ik instelde, hun eigen lektuur en waardering mee. Ik leer er ontzaglijk veel van.”

“Sedert 6 oktober ’27 was ook Prinses Juliana, die toen te Leiden studeerde, enige college’s van Verwey gaan volgen. Zij deed dit met een ijver en aandacht waaruit duidelijk bleek hoezeer het haar ook met deze tak van studie ernst was. Daar zij nadrukkelijk te kennen had gegeven op gelijke voet met de andere studenten behandeld te willen worden, wijzigde Verwey, met eerbiediging van die wens, aan zijn manier van lesgeven niets. Zij heeft de colleges over de moderne literatuur, maar ook die over de Middelnederlandse gevolgd”.

Maurits Uyldert, Naar de voltooiing; uit het leven van Albert Verwey. Amsterdam, Allert de Lange, (1959). Deel 3, pag. 155-156, 157.

[De informatie voor de begeleidende teksten komt uit LiteRom (interviews en recensies Nederlandstalige literatuur vanaf 1900) en de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)].

Gepost door: universiteitsbibliotheekleiden | oktober 16, 2008

Letter en Geest

De hoofdpersoon in Letter en Geest, Felix Mandaat, loopt tegen de dertig en heeft nog nooit een baan gehad. Hij besluit dat hij zijn leven maar eens met anderen moet gaan delen en vindt tijdelijk werk in een schilderachtig universiteitsstadje, waarin wij Leiden kunnen herkennen.

Frans Kellendonk heeft in de jaren tachtig van de vorige eeuw in de Leidse UB gewerkt en heeft daar veel inspiratie opgedaan voor zijn roman. De leeszaal met de gebruikers , die hij in het volgende fragment beschrijft, doet denken aan een van de leeszalen in de oude UB aan het Rapenburg.

“Toen hij op zijn leeszaal kwam waren ze er allemaal al: de studente met het opgestoken haar en de hockeyschouders, die haar vinger zo krachtig in haar oor kan laten vibreren; de begenadigde docent die nog nooit iets heeft gepubliceerd en hier elke dag komt zoeken naar een onderwerp; Pietje Kraal, Landloper & Alcoholist (het landlopen is seizoenarbeid, maar het alcoholisme beoefent hij het hele jaar door), zit met twee overjassen aan tegen een radiator, midden in een stortbad van zonlicht, en bladert op de momenten dat hij wakker is tongklakkend door een deel van de Brockhaus; achter in de zaal zit het rossige hoofd van ‘het figuur’ over zijn vertaling gebogen; professor Hafmans, die watermerken bestudeert, houdt aan zijn gereserveerde tafeltje boekbladen tegen het licht van een sterke lamp; al die lezers, van wie er twee op de dertien linkshandig zijn, zoals Mandaat na tien weken turven heeft vastgesteld, hebben ook zonder hem hun weg hierheen wel gevonden”.

Frans Kellendonk, Letter en Geest; een spookverhaal. Amsterdam, Meulenhoff (1982), Pag . 58-59.

[De informatie voor de begeleidende teksten komt uit LiteRom (interviews en recensies Nederlandstalige literatuur vanaf 1900) en de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)].

Gepost door: universiteitsbibliotheekleiden | oktober 15, 2008

Aan ‘slands hooge school te Leyden

De ziekte der geleerden (voltooid in 1806, gedrukt in 1807, herdrukt in 1829) is een mijlpaal in de geschiedenis van zowel het Nederlandse leerdicht als de internationale melancholie-literatuur. Nog nooit was er over het verschijnsel melancholie zo’n doorwrocht en omvangrijk leerdicht in een levende taal geschreven.

De opbrengsten van het gedicht waren bestemd voor nabestaanden van de Leidse ramp (de ontploffing van het kruitschip in 1807).

Het leerdicht wordt voorafgegaan door een ode aan de Leidse universiteit.

“Aan ‘slands hooge school te Leyden.

ô Voedsteres, wie ik mijn aanzijn dank’,

(Geen aardsche vonk van laag en dierlijk leven,

Maar Godenlicht en echten levenssprank,

En wat met ons onvatbaar is te sneven!)

Gy, Leydsch Atheen, dat op uw’ eedlen schoot

Europaas roem gewiegd hebt en gekoesterd,

Dat Koningen de melk der wijsheid boodt,

Gy hebt ook my met tederheid gevoedsterd.

Mijn oog verblindt van al de majesteit,

Die, uit uw’ schoot, die uit uw lauwergaarde,

Die, aan uw hand en leiband opgeleid,

Een’ nieuwen dag moest scheppen over de aarde!

Wat Heldendrom, die by uw zonen haalt,

ô Koestrares? Wat aardsche Godentempel,

Wiens heilig dak niet met uw gaven praalt;

Wiens priestrenrei niet neêrknielt voor uw’ drempel?

De Rhijn verheft dat achtbaar hoofd niet meer,

Dat eer zoo fier zich ophief uit zijn baren;

Maar Leydens wal, zijne onverganklijke eer,

Vertroost hem nog in zoo veel zielsbezwaren”

Willem Bilderdijk, ‘Aan ‘slands hooge school te Leyden.’ In: De ziekte der geleerden . Amsterdam en ’s Gravenhage : Johannes Allart en gebr. Van Cleef ,1807. Pag. II.

[De informatie voor de begeleidende teksten komt uit LiteRom (interviews en recensies Nederlandstalige literatuur vanaf 1900) en de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)].

Gepost door: universiteitsbibliotheekleiden | oktober 14, 2008

Bougainville

Bougainville is het zesde boek van de weinig schrijvende F. Springer. De titel doet denken aan een zonrijk eiland in de Stille Zuidzee en Bougainville is dan ook voor Tommy Vaulant, de figuur aan wie dit “gedenkschrift” is gewijd, een plaats waarheen zijn geest ontsnapt, wanneer de druk van zijn werk bij de Verenigde Naties al te groot dreigt te worden. Deze roman van 128 bladzijden roept uitgaande van Vaulants verdrinking en zoals de ondertitel “gedenkschrift” al suggereert het verleden van deze functionaris op. Bij stukjes en beetjes vormt de ik-figuur, vroegere schoolmakker van de gestorvene en in onderstaand fragment student in Leiden, zich een beeld van diens leven, in aanvulling op wat hij zich zelf van hem herinnert. Die stukjes en beetjes worden vooral geleverd door twee dagboeken: een van Vaulant zelf en een ander van diens grootvader.

“Herfst 1955: opeens stond hij voor mijn deur op de Hooigracht in Leiden, die Amerikaan. Ondanks zijn luidruchtige kleding en een enkel amerikanisme in zijn conversatie was hij toch niet meer de branieschopper van tempo doeloe. Ernstig sprak hij over zijn plannen: Amerikaan worden, na zijn studie solliciteren bij een internationale organisatie, trouwen met Sonnie die hij op kleurenfoto’s bij zich droeg. Sonnie te paard, Sonnie op een zeilboot, Sonnie liggend in de zon”.

F. Springer, Bougainville; een gedenkschrift. Amsterdam, Querido, 1981. Pag 48.

[De informatie voor de begeleidende teksten komt uit LiteRom (interviews en recensies Nederlandstalige literatuur vanaf 1900) en de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)].

Gepost door: universiteitsbibliotheekleiden | oktober 13, 2008

Art. 285b

Art. 285b luidt de titel van het debuut van Christiaan Weijts (1976), die journalist is geweest van het Leids universitair weekblad Mare. Ruim driehonderd pagina’s lang probeert de hoofdpersoon, achtergrondpianist en pianoleraar Sebastiaan Steijns, zijn publiek en zichzelf ervan te overtuigen dat hij geen misdrijf heeft gepleegd, maar handelde uit liefde. Ja, dat zeggen ze allemaal, die stalkers, die afgewezen minnaars die hun liefje niet los kunnen laten en die via Art.285b tot de orde geroepen dienen te worden.

“Met zijn Ericsson aan zijn oor liep hij over het Rapenburg. Studenten op het terras van Barera. Hij was zijn hele leven in dit stadje blijven wonen en had dus in wisselende gezelschappen in bootjes door de grachten gevaren. Door de voortdurende toestroom en uitloop van studenten had het Academiestadje de eeuwige jeugd. Ze kwamen uit alle uithoeken van het land, woonden een jaar of vijf, zes de studentenkamers uit, werden drie avonden per week dronken op de vereniging en in de kroegen, en vertrokken weer om ergens advocaat, notaris of huisarts te worden. En toch, op namiddagen als deze, terwijl hij door het gebied rond het Rapenburg, de Hortus, de Kaiserstraat en de Vliet wandelde, was het alsof de twintigste eeuw nog niet begonnen was en ook geen aanstalten maakte om dat op korte termijn te gaan doen”.

Christiaan Weijts, Art. 285b. Roman. 2e druk. Amsterdam-Antwerpen, Uitgeverij De Arbeiderspers, (2006). Pag 69-70.

[De informatie voor de begeleidende teksten komt uit LiteRom (interviews en recensies Nederlandstalige literatuur vanaf 1900) en de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)].

Gepost door: universiteitsbibliotheekleiden | oktober 12, 2008

Het dagboek van de student Nicolaas Beets

Toen Nicolaas Beets in 1833 naar Leiden kwam, was hij bijna negentien jaar oud.

Wie zich als student aan de Leidse academie wilde laten inschrijven, diende eerst een bezoek te brengen aan enige hoogleraren, teneinde een soort toelatingsexamen af te leggen. Pas daarna werd in het Album Studiosorum door de rector magnificus persoonlijk de naam van de nieuwe student genoteerd, met daarbij de datum, de plaats van herkomst, de leeftijd en de gekozen studierichting. Nu kon men de colleges gaan volgen, die doorgaans begonnen in de tweede helft van september.

Het Dagboek geeft over dit alles unieke informatie; tevens krijgt men een goed beeld van het dagelijks leven in die tijd, niet alleen van het studentenleven met colleges, tentamens, de onvermijdelijke thé’s bij de verschillende professoren, de sociëteit en het dispuut, maar ook over literaire soirées en muziekavonden, en de omgang met verschillende aanzienlijke Leidse families.

“Leiden, donderdag 12 september 1833

Leiden . 12 Sept.

Gisteren avond met de laatste schuit hier aangekomen, verzelschapt door Bram, op wiens kamers ik voorloopig logeer. Met een aanbeveling van den Haarlemschen Rector Venhuizen Peerlkamp, naar zijn broeder den Lit. Prof. Hofman Peerlkamp getogen, die mij, na lezing van dien brief en een kort gesprek over Beckers Algemeene Geschiedenis en het lezen van een caput uit Livius ‘dignum censuit ut ad academicas lectiones admitterer.’ Daarna moest ik bij Prof de Gelder in de Mathesis worden getenteerd, alsmede in de Algebra. Ik had van de eerste véél, van de laatste álles vergeten en beefde op ’t gezicht van een lei, die met driehoeken en cirkels beschilderd op tafel lag. Z.H.G. vroeg mij echter slechts wat ik aan de wiskundige wetenschappen gedaan had, en na het beantwoorden van deze vraag, aarzelde hij niet mij insgelijks een testimonium te geven, waarin hij verklaarde mij ‘privata disquisitione’ bekwaam genoeg bevonden te hebben. Ik vroeg hem wanneer zijne collegies beginnen zouden. Hij wist het nog niet. ‘Zijn vrouw’ zeide hij, ‘lag op sterven. Dáar hing het van af. Stierf zij van de week nog: dan aanstaanden Maandag. Stierf zij van de week nog niet: dan wachtte hij nog wat.’

Daarop naar den Rector Magnificus, Nieuwenhuis , die mij op de rol der Academieburgers inschreef en alzoo een mijner liefste wenschen vervulde”.

Het dagboek van de student Nicolaas Beets, 1833-1836.

Uitgegeven, ingeleid en toegelicht door Peter van Zonneveld.

’s-Gravenhage, Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, 1983. Pag. 18-19.

[De informatie voor de begeleidende teksten komt uit LiteRom (interviews en recensies Nederlandstalige literatuur vanaf 1900) en de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)].

Gepost door: universiteitsbibliotheekleiden | oktober 11, 2008

Laatste zomernacht

Laatste zomernacht is een novelle over liefdesperikelen in een moeras waar een groep biologie-studenten zich op excursie bevindt.

De ontmoetingen tussen minnaars en rivalen staan bij de romanticus ’t Hart in het teken van de verlegenheid en terughoudendheid. De strijd wordt gestreden met behulp van Nijhoff’s poëzie en pas gevangen padden.

“Zonder erop te letten waar de anderen heengingen, hadden we een eindweegs in de zon gewandeld totdat we in een park, waarvan we later leerden dat het Plantsoen heette, tot de conclusie kwamen dat we beslist verkeerd moesten zijn gelopen. Zo waren we minstens een uur te laat op het practicum verschenen en alle andere jaargenoten hadden gezien hoe we uitgescholden werden door een practicum-assistent. Misschien was het vooral het schelden geweest, ten overstaan van de hele groep, dat ons bij elkaar had gebracht, meer nog dan het dwalen in het Plantsoen of dan het feit dat we daarna de twee slechtste plaatsen in de practicumzaal kregen toebedeeld. Twee door schelden gelouterde eerstejaars”.

Maarten ’t Hart, Laatste zomernacht. 2e druk. Amsterdam, Uitgeverij De Arbeiderspers, (1977). Pag 54-55.

[De informatie voor de begeleidende teksten komt uit LiteRom (interviews en recensies Nederlandstalige literatuur vanaf 1900) en de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)].

Categorieën